Op 28 januari 1986 wordt het album Seventh Star van Black Sabbath wereldwijd uitgebracht op het label Vertigo en op Warner Music in de VS en Canada. Het was de opvolger van Born Again uit 1983, het enige Black Sabbath-album met Ian Gillan (ex-Deep Purple) als zanger, terwijl het de laatste studioplaat was met Geezer Butler en de teruggekeerde Bill Ward, die in 1980 was opgestapt.

Eind 1985 was Black Sabbath haast op sterven na dood, want drie van de vier originele bandleden waren inmiddels opgestapt: zanger Ozzy Osbourne, drummer Bill Ward en, als laatste na de tournee in 1984, bassist Geezer Butler. Alleen gitarist Tony Iommi was overgebleven. Hij nam in 1985 in de Cheshire Sound Studios, Atlanta, Georgia, VS, zijn eerste soloalbum op, onder productionele leiding van Jeff Glixman. Als zanger werd Glenn Hughes (ex-Deep Purple Mark III/IV) aangetrokken en als muzikanten Dave Spitz op basgitaar, Eric Singer op drums en Geoff Nicholls op keyboards, die al langer meespeelde in Black Sabbath en vanaf dit album als officieel bandlid opereerde. Opvallend is dat Glenn Hughes alleen zingt en dus niet de bas bespeelt.

Tony Iommi wilde eigenlijk op zijn soloalbum met verschillende zangers werken, zoals David Coverdale, Robert Plant en Glenn Hughes. Maar omdat hij danig onder de indruk was van Glenns zangpartijen, besloot hij om dit plan te laten varen en hem alle songs te laten inzingen. De muziekstijl op het album is anders dan men van Black Sabbath gewend was, want meer richting de bluesrock, uiteraard wel met herkenbare Iommi-riffs. Hij wilde duidelijk iets anders brengen dan met Sabbath.

Maar uiteindelijk werd de plaat niet als soloalbum uitgebracht, maar onder de naam Black Sabbath featuring Tony Iommi. Dit gebeurde onder druk van de Amerikaanse platenmaatschappij én manager Don Arden (de vader van Sharon Osbourne). Daarmee werd dit het twaalfde studioalbum van de band. Latere releases verschenen overigens ‘gewoon’ onder de naam Black Sabbath, terwijl (eerlijk is eerlijk) de sound op dit album haast niets te maken heeft met de heavy rocksound van de originele band.

Het album telt negen songs; alle muziek is gecomponeerd door Tony, de teksten zijn van hem, Glenn Hughes, Geoff Nicholls en Jeff Glixman. Kant 1 opent met In For The Kill en vervolgt met No Stranger To Love, Turn To Stone, Sphinx (The Guardian) en titeltrack Seventh Star. Kant 2 begint met Danger Zone en vervolgt met Heart Like A Wheel, Angry Heart en afsluiter In Memory… No Stranger To Love werd op (promo)single uitgebracht in een iets andere versie dan op het album: Glenn zong hierop verschillende harmoniepartijen.

Om het album te promoten werd een tournee georganiseerd, maar Glenn Hughes deed alleen tijdens de eerste paar optredens mee, omdat hij na vijf optredens werd ontslagen, vrijwel zeker vanwege zijn gedrag door zijn excessieve drank- en drugsgebruik. Hij werd vervangen door Ray Gillen, die de resterende Noord-Amerikaanse en Europese concerten afmaakte. Overigens werden meerdere optredens in de VS afgelast. Supportbands tijdens de Amerikaanse concerten waren W.A.S.P. en Anthrax.

In 2010 werd het album uitgebracht als Deluxe Edition dubbel-cd, met op disc 1 de negen originele albumtracks plus als bonustrack de singleremix van No Stranger to Love. De tweede cd bevat opnames van het concert dat de band gaf in de Hammersmith Odeon in Londen op 2 juni 1986, met Ray Gillen op zang. Hierop staan de volgende songs: The Mob Rules, Danger Zone, War Pigs, Seventh Star, Die Young, Black Sabbath, N.I.B., Neon Knights en natuurlijk Paranoid.

De muziekpers was niet erg enthousiast over het album, zo gaf Rolling Stone twee (van de vijf) sterren. Qua verkopen was het album in de VS redelijk succesvol: nummer 78 op de Billboard Top 200 Album Chart was de hoogste notering; in ons land werd de albumlijst niet gehaald.