In oktober 1975 werd de tiende langspeelplaat van Deep Purple uitgebracht, onder de titel Come Taste The Band, op het Purple-label (EMI) in het Verenigd Koninkrijk en Europa en Warner Brothers in de VS. Het was het eerste Deep Purple-album zonder Ritchie Blackmore en het enige met zijn opvolger, gitarist Tommy Bolin, door de Mark IV-formatie dus.

Na het vertrek van Blackmore waren er nog maar twee originele bandleden over: toetsenist Jon Lord en drummer Ian Paice. De andere twee leden waren zanger David Coverdale en bassist/zanger Glenn Hughes. Dit was het derde en tevens laatste Deep Purple-album waaraan deze twee meewerkten. Coverdale overtuigde met name Jon Lord om door te gaan met de band en zorgde er ook voor dat Tommy Bolin werd overgehaald om tot de band toe te treden.

Het album werd in een kleine maand, tussen 3 augustus en 1 september 1975, opgenomen in de befaamde Musicland Studio’s in München, vooral bekend door de albums die Queen daar opnam. De productie werd gedaan door de vijf bandleden en good old opnametechnicus Martin Birch, die al jaren met Deep Purple werkte. Voordat de echte opnames begonnen nam opnametechnicus Robert Simon de repetities op in zijn Pirate Sound Studios, maar na een conflict over de te maken afspraken werd voor Birch gekozen.

Volgens Glenn Hughes en Jon Lord waren tenminste twee van de songs al ruim voor de opnames begonnen geschreven. Zo was You Keep On Moving in 1973 door Hughes en Coverdale geschreven, maar Ritchie Blackmore weigerde de song op het album Burn op te nemen. Lady Luck was in dezelfde periode geschreven door Bolins vriend en schrijfpartner Jeff Cook. Helaas kon Tommy zich de tekst niet meer herinneren toen de band de studio in ging, ook konden ze Cook niet tijdig bereiken. Vandaar dat  Coverdale het grootste deel van de tekst opnieuw schreef en gaf Cook later zijn toestemming om de song uit te brengen.

De rest van het album werd grotendeels in LA geschreven en daarna in München opgenomen, met uitzondering van Comin’ Home, dat in de studio werd geschreven. Glenn Hughes ging terug naar  Engeland voordat de opnamen afgerond waren, om daar van zijn hevige cocaïneverslaving af te komen. Volgens hem is dit de reden dat Tommy Bolin de bas bespeelde en de lagere achtergrondzangpartijen verzorgde op Comin’ Home.

Muzikaal gezien klinkt het album commerciëler dan de voorgaande Mark III-albums, variërend tussen de gebruikelijke hardrocksound en duidelijk boventonen van soul en funk. Glenn Hughes was hevig beïnvloed door de funk van die tijd en dat werkte prima samen met de eveneens door funk en jazz beïnvloede Tommy Bolin, maar de muzikale richting ging uiteindelijk toch meer in de richting van Burn (1974), met heavy rock gitaarwerk. Nu de band met Bolin werkte konden ze creatiever en vrijer werken dan met Blackmore, die daar absoluut niet aan wilde, zo liet hij bij de opnames van de voorgaande twee albums merken.

Come Taste The Band telt negen songs en opent met Comin’ Home (Tommy Bolin, David Coverdale, Ian Paice), gevolgd door Lady Luck (Jeff Cook, Coverdale) beide gezongen door Coverdale. De derde track is Gettin’ Tighter (Bolin, Glenn Hughes), die door Hughes wordt gezongen. Dealer (Bolin, Coverdale) en I Need Love (Bolin, Coverdale), ook beide door Coverdale gezongen, besluiten de eerste plaatkant. Kant 2 opent met Drifter (Bolin, Coverdale), gevolgd door Love Child (Bolin, Coverdale). Track drie This Time Around/Owed to ‘G’ (Hughes, Jon Lord / Bolin) is de langste van het album (6:10) en wordt door Glenn Hughes gezongen. Samen zingen ze You Keep On Moving  (Coverdale, Hughes) en deze song kun je zowel bij Whitesnake-concerten als die van Glenn Hughes nog steeds vaak horen.

Het album wordt over het algemeen beschouwd als een van Deep Purple’s mindere platen, al liep de verkoop na de release best goed. In de Britse albumlijst werd nummer 19 bereikt en in de VS was nummer 43 de hoogste notering. Het toen toonaangevende Britse muziekblad New Musical Express schreef een zeer positieve recensie. Al op 1 november 1975 werd het album met zilver bekroond, nadat er 60.000 exemplaren waren verkocht in het VK. In ons land werd nummer 18 bereikt op de albumlijst, waarin de plaat 12 weken bleef staan. In Noorwegen en Nieuw-Zeeland werd zelfs nummer 6 bereikt.

In 2010 kwam de 35th Anniversary Edition uit, als dubbel-cd. Op de eerste disc staan het originele (geremasterde) album, plus als bonustrack de singleversie van You Keep On Movin’. Op de tweede schijf staat een door Kevin Shirley geremixte versie van het album met twee niet eerder uitgebrachte tracks: Same in LA (Coverdale, Hughes, Paice, Lord) en Bolin/Paice Jam (Bolin, Paice).

De wereldtournee die de band na de release startte was voor de betrokkenen onvergetelijk. Zo overleed een van hun beveiligingsmannen onder ‘verdachte omstandigheden’ in Jakarta, waarna Glenn Hughes en twee anderen kort de gevangenis in gingen. De concertpromotor had ook kaarten voor een tweede show verkocht, waar de band niets van wist. Ze werden gedwongen beide optredens voor het bedrag van de eerste te doen. Glenn Hughes werd onder pistooldreiging uit de gevangenis gehaald voor dat tweede optreden en werd na afloop meteen teruggebracht. Tommy Bolin had morfine toegebracht gekregen door de promoter, wat de band in problemen bracht toen ze daarna naar Japan moesten. Het management van de band moest een flinke boete betalen om het land uit te mogen vanwege de aanklachten tegen Hughes en anderen; het kwam erop neer dat ze de volledige gage plus nog enkele duizenden dollars meer moesten betalen aan het leger en de Airport Security om zodoende toch nog het land te kunnen verlaten.

Toen ze in Japan waren aangekomen nam Tommy Bolin meteen alle drugs in die hij daar gekregen had. Hij viel bijna meteen in slaap en lag zo acht uur lang op zijn arm, wat erin resulteerde dat hij daarna niet goed gitaar kon spelen. Het schijnt dat Jon Lord veel van de gitaarpartijen met zijn orgel en andere keyboards heeft opgevangen. Dit concert werd opgenomen en gefilmd en werd als Last Concert in Japan op cd en video uitgebracht. In de opener Burn, hoor en zie je daar Lord’s orgel de openingsriff spelen, die origineel op gitaar werd gespeeld door Ritchie Blackmore.

In maart 1976 werd Deep Purple ontbonden. Coverdale begon Whitesnake, waarin later zowel Lord als Paice ook speelden (evenals Roger Glover). Hughes bleef jarenlang ernstig cocaïneverslaafd en begon een niet al te succesvolle solocarrière en werd vocalist van onder meer Black Sabbath (Seventh Star-album) en Gary Moore (Run For Cover). Ook maakte hij een ondergewaardeerd maar prachtig album met Pat Thrall onder de naam Hughes/Thrall. Pas nadat hij definitief was afgekickt én zich bekeerd had tot het Christendom hoorden we weer van hem, vooral nadat hij op albums van diverse projecten had gezongen. Tommy Bolin overleed in December 1976 na een heroïne-overdosis.

Voormalig en huidig Deep Purple-zanger Ian Gillan beschouwt Come Taste The Band niet als een Deep Purple-album. Jon Lord zei later in interviews dat ‘als je het nu beluistert, het een verrassend goed album is. Het slechtste wat je erover kunt zeggen is dat het, volgens de mening van de meeste mensen, geen Deep Purple-album is.’