Op 16 oktober 1974 werd de langspeelplaat It’s Only Rock ‘n Roll van The Rolling Stones uitgebracht op het eigen label Rolling Stones Records. Het was de twaalfde Britse en veertiende Amerikaanse plaat van de band en de laatste met gitarist Mick Taylor. Het was tevens de eerste die door Mick en Keith als The Glimmer Twins werd geproduceerd.

De mannen waren amper klaar met hun Europese najaarstournee van 1973 toen ze begonnen met de pre-productie van wat It’s Only Rock ‘n Roll zou worden. Ze gingen naar de Musicland Studios in München, eigendom van discoproducer Giorgio Moroder. Deze studio’s zijn vooral bekend geworden door de platen die er werden opgenomen van Queen (met producer Mack) en Freddie Mercury solo. Andere artiesten die er opnamen: Electric Light Orchestra, Donna Summer, Elton John, Sweet, T. Rex, Three Degrees en Deep Purple. Keith Richards: “We were really hot (off the road) and ready just to play some new material.”

De opnames vonden in verschillende periodes plaats: 25 november-21 december 1972, 13-24 november 1973, 14-28 januari, 10-15 april en 20-25 mei 1974. Zoals gemeld deden Mick en Keith de productie (voor het eerst sinds Their Satanic Majesties Request uit 1967), vooral omdat ze niet tevreden waren met voorganger Goats Head Soup en de manier van werken van producer Jimmy Miller. In Musicland werden ze geassisteerd door opnametechnici Andy Johns en Keith Harwood, en overdubtechnicus George Chkiants. De mix werd gedaan door Keith Harwood, behalve Fingerprint File die door Glyn Johns werd gemixt.

Volgens Keith deed Mick Jagger zijn beste takes terwijl er behalve de geluidstechnicus niemand anders in de studio aanwezig was. De band nam eerst alle backing tracks op, inclusief de achtergrondzang en overdubs, daarna zong Jagger zijn solo-zangpartijen in. Hoewel het niet de eerste keer was dat Mick en Keith de productie deden, was het wel de eerste keer als The Glimmer Twins. Sinds dit album deden ze dat bij elk volgend album, soms met behulp van een coproducer.

It’s Only Rock ‘n Roll was Mick Taylors laatste album met The Rolling Stones. Hij speelt op slechts zeven van de tien tracks (hij speelde niet op Ain’t Too Proud To Beg, It’s Only Rock ‘n Roll en Luxury). Evenals op Goats Head Soup staat zijn naam ook nu niet genoemd als songwriter, terwijl hij heeft meegeschreven aan Till the Next Goodbye en Time Waits For No One. Taylor zei daarover in 1997: “I did have a falling out with Mick Jagger over some songs I felt I should have been credited with co-writing on It’s Only Rock ‘n Roll. We were quite close friends and co-operated quite closely on getting that album made. By that time Mick and Keith weren’t really working together as a team so I’d spend a lot of time in the studio.” Jagger zei ooit dat Taylor alleen een paar akkoorden had aangedragen voor Time Waits For No One.

Ronnie Wood van Faces was al lang bevriend met de Stones en was steeds vaker bij hen in de buurt te vinden. Hij nodigde Mick Taylor uit om mee te spelen op zijn debuutalbum I’ve Got My Own Album To Do. Taylor bracht enige tijd door in Woods huis The Wick, zowel om opnamen te maken als voor de gezelligheid. Keith Richards nodigde Ron Wood uit terwijl ze in de studio waren en ze werden goede vrienden. Jagger bemoeide zich uiteraard met de mix en het klikte heel goed tussen de drie mannen. Dit was toen de eerste versie van It’s Only Rock ‘n Roll (But I Like It) werd opgenomen. Wood werkte nauw samen met Jagger aan de song, die uiteindelijk besloot zowel de song als het album It’s Only Rock ‘n Roll als titel te geven. Op de definitieve versie speelt Ron Wood op een twaalfsnarige akoestische gitaar.

De muzikanten op het album zijn: uiteraard Mick Jagger, Keith Richards, Bill Wyman, Mick Taylor en Charlie Watts en verder: op piano Nicky Hopkins, Billy Preston (ook orgel) en Ian Stewart, Ray Cooper op percussie, en de band Blue Magic op achtergrondzang op If You Really Want To Be My Friend. Op de titeltrack zijn de muzikanten: Ronnie Wood op twaalfsnarige akoestische gitaar en achtergrondzang, Kenney Jones (ook Faces) op drums, Willie Weeks op basgitaar en David Bowie op achtergrondzang en uiteraard Mick en Keith. Alle songs werden geschreven door Jagger en Richards, behalve Ain’t Too Proud To Beg (door Norman Whitfield en Eddie Holland).

Het album bereikte de tweede plaats op de Britse albumcharts en de eerste in de Amerikaanse. Twee van de songs werden op single uitgebracht, It’s Only Rock ‘n Roll (But I Like It), die nummer tien in de Britse hitparade en nummer zestien in de Amerikaanse behaalde, en Ain’t Too Proud To Beg, nummer 17 in de States. It’s Only Rock ‘n Roll (But I Like It) bereikte nummer 17 in de Veronica Top 40. Ain’t Too Proud To Beg haalde de vaderlandse hitparade niet.

De mooie hoes werd ontworpen door de Belgische schilder Guy Peellaert, die wel ‘de Michelangelo van de popart’ werd genoemd, hij maakte onder meer ook de hoes van Diamond Dogs van David Bowie. Je zou het zelfs een titelloos album kunnen noemen, want zowel de bandnaam als de albumtitel staan niet op de voorkant vermeld.