Op 14 augustus 1971 werd Who’s Next, het vijfde studioalbum van de Engelse rockband The Who, uitgebracht op het Track Record-label (onderdeel van Polydor) in het Verenigd Koninkrijk en Europa en op Decca in de Verenigde Staten en Canada. Het was de opvolger van het zeer succesvolle dubbelalbum Tommy uit 1969 en de geweldige liveplaat Live At Leeds (1970). Who’s Next was verkrijgbaar op vinyl, muziekcassette, 8-track (vooral in de VS populair) en ‘reel-to-reel’ tape.

De meeste opnames werden tussen april en juni 1971 gemaakt in de Olympic Studios in Barnes, Londen, nadat ze eerst met behulp van The Rolling Stones Mobile de song Won’t Get Fooled Again hadden opgenomen in het landhuis Stargroves in East Woodhay, in county Hampshire in Engeland. Dat was toentertijd tevens de woning van Mick Jagger en meer bands namen er platen op met de beroemde mobiele studio van de Stones. Het album werd geproduceerd door de vier bandleden, Pete Townshend (gitaar, zang, ARP synthesizer, piano, orgel), Roger Daltrey (zang, mondharmonica), Keith Moon (drums, percussie) en John Entwistle (bas, brass, piano, zang), daarbij geassisteerd door opnametechnicus en ‘associate producer’ Glyn Johns. De mix werd ook gedaan in de Olympic Studios, met uitzondering van Won’t Get Fooled Again, dat in de Island Studios in Londen werd gemixt.

Lifehouse
Na het wereldwijde succes van Tommy (zowel critici als het grote publiek waren zeer gecharmeerd van de dubbel-lp) ging The Who uitgebreid op tournee, waarbij de setlist voornamelijk uit songs van dit album bestond, naast enkele oudere hits zoals My Generation. Door het commerciële succes van Tommy hadden veel van de oudere Who-fans, de mods, afgehaakt. Zij vonden dat de band niet meer hun band was, wat ze ook duidelijk lieten weten. Pete Townshend was ervan overtuigd dat de band een andere richting op moest en begon nieuwe songs te schrijven. Vijf van de nieuwe songs zouden op een ep worden uitgebracht, maar dat is er uiteindelijk niet van gekomen, omdat de bandleden dit geen goede opvolger van Tommy vonden.

Na het grote succes van Tommy begon Townshend te werken aan zijn volgende project, wat de rockopera Lifehouse zou gaan worden. Het verhaal van Lifehouse zou zich in de toekomst afspelen, waarbij muziek door de overheid verboden zou zijn. Ondergetekende neemt aan dat de Engelse komiek Ben Elton dit idee begin deze eeuw heeft overgenomen en daarop zijn Queen-musical We Will Rock You heeft gebaseerd. Opnames onder productionele leiding van Kit Lambert werden in maart 1971 gemaakt in de Record Plant Studios in New York. Vanwege meerdere tegenslagen, waaronder de problemen vanwege hevig drugsgebruik en daarna de breuk met The Who-manager en producer Kit Lambert, werd uiteindelijk besloten om de al geschreven songs uit te werken tot een ‘gewoon’ album. Overigens werd ook een aantal sessiemuzikanten ingehuurd: Dave Arbus (viool op Baba O’Riley), Nicky Hopkins (piano op The Song Is Over en Getting In Tune), Al Kooper (orgel op de alternatieve versie van Behind Blue Eyes uit 1973) en Leslie West (leadgitaar op Baby, Don’t You Do It uit 1973).

Het album
Het originele album telt negen songs, vijf op kant A en vier op kant B. Alle nummers werden geschreven door Townshend, behalve My Wife, die is van de hand van John Entwistle en hij zingt deze song ook. Baba O’Reilly opent kant A en wordt gezongen door Roger Daltrey, waarbij Pete de ‘bridge’ zingt. Hetzelfde geldt voor de volgende song, Bargain. Track drie is Love Ain’t For Keeping, gezongen door Roger. My Wife is de vierde track (zang van John) en de vijfde en laatste is The Song Is Over, gezongen door Pete (en de refreinen door Roger). De totale speeltijd is 43:38”.

Op één na zijn alle songs op kant B gezongen door Roger. Kant B opent met Getting In Tune en daarna Going Mobile, gezongen door Pete. Track drie is Behind Blue Eyes en de afsluiter is het 8:32” durende Won’t Get Fooled Again. Deze laatste twee, plus Baba O’Riley (alleen in Europa) werden op single uitgebracht. Won’t Get Fooled Again overigens in een behoorlijk verkorte versie (3:32”). Zowel in Canada als het VK werd nummer negen op de hitparade bereikt, terwijl dat in de VS nummer vijftien was en in ons land nummer elf. Baba O’Riley bereikte in Nederland de dertiende plaats, terwijl Behind Blue Eyes het met nummer 35 als hoogste notering moest doen, een plaatsje lager dan in de Amerikaanse Billboard Hot 100.

Op de hoesfoto (gemaakt door Ethan Russell) zijn de vier bandleden te zien, zo te zien net nadat ze tegen een groot betonblok hebben geplast. Andere ideeën voor de hoes waren afgewezen, zoals in plaats van het betonblok een Marshall (versterker) toren.

Het album bereikte in het VK de eerste plaats op de albumlijst, terwijl dat in Nederland en Frankrijk nummer twee was. Op de Billboard Album Top 100 werd nummer vier bereikt en in Canada nummer vijf. Een gouden plaat kreeg de band in het VK voor de verkoop van 100.000 exemplaren en maar liefst 3x platina in de VS, waar ruim drie miljoen platen werden verkocht.

In 1983 kwam de eerste cd-versie uit, op Polydor, in het VK en de rest van Europa; een jaar later in de VS op het MCA label. In 1995 kwam een uitgebreide en geremasterde cd-versie uit, met zeven bonustracks: Pure And Easy (originele versie), Baby, Don’t You Do It (Holland-Dozier-Holland), Naked Eye (Live @ the Young Vic Theatre, Londen op 26 april 1971), Water (Live @ the Young Vic Theatre, Londen op 26 april 1971), Too Much of Anything*, I Don’t Even Know Myself* en Behind Blue Eyes (originele versie). De met * gemerkte songs zijn originele Lifehouse-opnames. In 2003 kwam een Deluxe Edition dubbel-cd uit, met op disc 1 het originele album plus zes niet eerder verschenen outtakes van de Lifehouse sessies in de Record Plant Studios in New York in maart 1971, met soms afwijkende versies dan de al bekende. Disc twee bevat veertien live in het Young Vic Theatre in Londen op 26 april 1971 opgenomen songs.