Op 11 mei 1966, vandaag dus precies een halve eeuw geleden, werd het gelijknamige debuutalbum van de Engelse mod-rockband Small Faces uitgebracht op het label Decca Records en in 1967 op het Immediate-label in de Verenigde Staten.

De opnames werden tussen juni 1965 en februari 1966 gemaakt in de IBC Studios, Portland Place, Londen met Ian Samwell, Kenny Lynch en Don Arden als producers. De later bekende producer Glyn Johns deed de opnametechniek.

Small Faces werd in 1965 opgericht door Steve Marriott, Ronnie ‘Plonk’ Lane, Kenney Jones en Jimmy Winston. De door Ian Samwell geschreven debuutsingle Whatcha Gonna Do About It kwam uit in 1965 en was een kleine hit in eigen land. De volgende single I’ve Got Mine flopte, waarna toetsenist Jimmy Winston de band verliet en Ian McLagan zijn plaats innam. Winston speelde op meerdere tracks op het album en schreef mee aan een tweetal songs. Op de hoesfoto staat hij niet, McLagan wel.

De bezetting van Small Faces op het debuutalbum was dus: Steve Marriott (leadgitaar, zang in alle songs behalve Shake), Ronnie Lane (basgitaar, zang op Shake), Kenney Jones (drums) en Ian McLagan (orgel, gitaar, zang). Als extra muzikanten op het album deden ex-lid Jimmy Winston (keyboards, backing vocals, slaggitaar) en Kenny Lynch (backing vocals) mee.

Het album telt twaalf songs. Kant A opent met de door Ronnie gezongen Sam Cooke-compositie Shake. Come On Children is de tweede track, geschreven door Kenney Jones, Ronnie Lane, Steve Marriott en Jimmy Winston. Track drie is You’d Better Believe It, geschreven door Kenny Lynch en Jerry Ragovoy. Hierna volgt It’s Too Late, ook weer geschreven door Kenney Jones, Ronnie Lane, Steve Marriott en Jimmy Winston. Track vijf is One Night Stand, geschreven door Lane en Marriott. De zesde en laatste track is Whatcha Gonna Do About It, door Ian Samwell (tekst), Lane en Marriott (muziek) geschreven. Dit was de eerste hit voor de band. De single werd op 6 augustus 1965 op single uitgebracht en bereikte uiteindelijk de veertiende plaats in de Britse hitparade. Geruchten willen dat manager Don Arden (vader van Sharon Osbourne) zo’n twaalfduizend pond heeft gespendeerd om ervoor te zorgen dat de single een hit werd. Hij beantwoordde dit met de opmerking: ‘hoe mooi je een drol ook verpakt, het is en blijft een drol’. Whatcha Gonna Do About It werd overigens opgenomen in de Pye Studio’s in Londen.

Kant B opent met Sorry She’s Mine, geschreven door Kenny Lynch, gevolgd door Own Up Time, geschreven door Jones, Lane, Marriott en Ian McLagan. Track drie is You Need Loving, geschreven door Lane en Marriott. Nummer vier Don’t Stop What You’re Doing is een compositie van Jones, Lane, Marriott en McLagan. E To D is de vijfde track en geschreven door Lane en Marriott. De afsluiter van het album is de Mort Shuman/Kenny Lynch-compositie Sha-La-La-La-Lee, wat de derde single van de band werd en de tweede hit. In het Verenigd Koninkrijk werd de derde plaats bereikt. Ondanks dit succes waren de bandleden van mening dat deze song de band niet goed vertegenwoordigde, want zij wilden meer de richting van R&B op, niet deze commerciële richting.

Op de voorkant van de hoes is een geposeerde bandfoto te zien; op de Amerikaanse uitgave staan vier losse foto’s van de bandleden naast elkaar.

Het album werd goed ontvangen door pers, media en publiek. In de Britse albumlijst werd nummer drie bereikt. In de VS had de plaat een andere tracklist en op de in 1997 verschenen cd-release op Castle Communications werden alle tracks van beide uitgaven gezet, plus nog een vijftal bonustracks zoals de latere hitsingles Here Comes The Nice, Itchycoo Park, I’m Only Dreaming en Tin Soldier. Ook in 1997 kwam het album op Deram uit, met naast de originele Britse uitgave ook een aantal bonustracks. Omdat ons land in 1966 nog geen echte albumlijst had, is daar dus ook niets over te melden.

Na deze debuutplaat tekende de band bij het label Immediate, dat in 1967 het tweede album uitbracht. Ook die lp heet, verwarrend genoeg, simpelweg Small Faces. In Amerika kwam de plaat echter uit onder de titel There Are But Four Small Faces.