Het is één van de meest geheimzinnige en mysterieuze gebeurtenissen uit de popgeschiedenis: het motorongeluk van Bob Dylan. Die vrijdag 29 juli 1966 maakte de zanger een tocht met zijn motor, een Triumph 500, waarmee hij lelijk ten val kwam. Wat die dag precies gebeurd is, blijft in het grote Dylaneske schemergebied. Wel is duidelijk dat dit ongeluk de zanger een goede alibi gaf om alle resterende optredens de annuleren. En de muzikant trok zich voor onbepaalde tijd terug uit het openbare leven.

1966 is een druk jaar voor Bob Dylan. In 1965 en 1966 maakt hij drie studioalbums, waarvan de laatste (Blonde On Blonde) ook nog een dubbelaar was. Drie albums in achttien maanden tijd, een tour de force – zeker als je de wereldtournees erbij optelt. Deze tournees zijn ook nog eens reizen die de zanger niet in de koude kleren gaan zitten. Zijn overstap van akoestische naar elektrische muziek wordt Dylan niet in dank afgenomen door de fanatieke folk-liefhebbers.

In de spaarzame vrije tijd die Dylan en de leden van The Band, zijn begeleidingsband, hebben, maakt de zanger graag gebruik van de mogelijkheid om op een motor de omgeving te verkennen. Zo ook die laatste vrijdag van juli ’66. Dylan leent een Triumph 500 en trekt erop uit. Ergens in de bossen maakt hij een fout en klapt van de motor af. Met moeite weet hij zich naar het huis van zijn manager Albert Grosman te slepen. Een hospitaalbezoek zit er niet in; er is geen ambulance geweest om Dylan op te halen en in de dichtstbijzijnde ziekenhuizen is niemand langs geweest die van een motor is gevallen.

Het gerucht doet al vrij gauw de ronde dat Dylan aan de dood zou zijn ontsnapt. Geruchten blazen zichzelf gaandeweg enorm op, maar voor de jonge ‘stem van een generatie’ is het een goede gelegenheid om een stapje terug te doen. Alle optredens die al gepland waren, worden geschrapt en Dylan neemt de tijd om zich te herstellen. Het recept van dit herstel is een eenvoudig maar doeltreffend recept: een kuur, die bestaat uit het dagelijks melden in Big Pink, een roze geschilderd huis in Woodstock.

In dit huis hebben de leden van The Band hun onderdak gevonden. Big Pink blijkt een grote kelder te hebben, waar het muzikale gezelschap naar hartenlust muziek kan gaan maken. Tientallen uren aan demo’s, traditionals en nieuwe nummers (voornamelijk voor The Band) worden opgenomen. Af en toe sijpelt er een bandje naar de buitenwereld, waarop muziek te horen is dat door de muziekfans met wisselende kwaliteit wordt gekopieerd en doorgegeven.

Pas eind 1967 komt Dylan zelf terug met een nieuw album: John Wesley Harding, een plaat over middeleeuwse helden en een oudtestamentische moraal in een dito vocabulaire. Van de ‘oude Dylan’ is niets meer over, zoveel is duidelijk. Het motorongeluk heeft misschien lichamelijk geen schade toegebracht aan de bard uit Minnesota, met de val van de Triumph is wel de eerste creatieve periode uit zijn leven afgesloten.

Jaren na dato is Dylan nog steeds schimmig over wat er die zomerse vrijdag in 1966 is gebeurd. In zijn autobiografie Chronicles, Volume one (2004) schrijft hij in een paar bewoordingen over dit motorongeluk. Dat het inderdaad heeft plaatsgevonden, maar dat hij herstelde. ‘Truth was that I wanted to get out of the rat race,’ aldus de zanger veertig jaar later. Zijn leven was er anders uit gaan zien, zijn prioriteiten lagen niet meer zozeer bij de muziek als wel bij zijn jonge gezin.

Daar in de kelder van Big Pink, namen Dylan en The Band alsnog uren muziek op. We hebben er het materiaal van: een box van zes cd’s, die als aflevering 11 in The Bootleg Series op de markt is gekomen. Als dat motorongeluk niet had plaatsgevonden, hadden we dan wel deze ongedwongen opnames met een ontspannen liedjessmid in handen gekregen? We zullen het nooit weten – we moeten het gelukkig doen met wat er wél is overgeleverd.