Het is waarschijnlijk een van de grootste toevalligheden uit de rockgeschiedenis: Neil Young en bassist Bruce Palmer (beiden voorheen lid van The Mynah Birds) zijn aangekomen in Los Angeles en zitten vast in het verkeer. In de tegenovergestelde richting komen Stephen Stills en Richie Furay (die samen in The Au Go Go Singers speelden) langsrijden. Young had Stills al eens ontmoet en zijn talent maakte een grote indruk op de Canadese rocker. Furay herkent Youngs Buick Roadmaster en een nieuwe groep is geboren: Buffalo Springfield.

Zo begint het korte succesverhaal van een band die wellicht nooit echt zijn potentieel waarmaakte. Aangevuld met drummer Dewey Martin treedt Buffalo Springfield vanaf april 1966 veel op, onder meer als voorprogramma van The Byrds. Enkele maanden later starten de opnames van het debuutalbum, waarvoor de songwritingcredits verdeeld worden tussen Stills en Young. Van die laatste is bijvoorbeeld de niet bijster succesvolle eerste single Nowadays Clancy Can’t Even Sing. De leadzang in dat nummer (en enkele andere Young-composities) wordt echter niet verzorgd door Neil zelf, maar door Furay.

Het debuutalbum, simpelweg Buffalo Springfield getiteld, verschijnt op 5 december 1966. De tracklist op volgende uitgaven van de plaat wordt aangepast nadat Stephen Stills’ lied For What It’s Worth, geschreven naar aanleiding van confrontaties tussen de politie en protesterende jeugd op de Sunset Strip in Hollywood, hitstatus bereikt. De single blijkt met afstand de meest succesvolle van de band, maar de plaat heeft meer te bieden. In Youngs Out Of My Mind kun je goed horen hoe sterk de samenzang van Buffalo Springfield was (Stills zou daar later bij Crosby, Stills & Nash wederom in excelleren), het van een merkwaardige tekst voorziene Flying On The Ground Is Wrong maakt jaren later nog deel uit van Neils concerten en met onder meer het country-getinte Go And Say Goodbye bewijst Stills de kunst van het schrijven van pakkende popsongs uitstekend te beheersen.

Hoewel de nummers op Buffalo Springfield dus voldoende indruk maken, valt er wel wat aan te merken op de productie. Die lag namelijk in handen van de managers van de band: Charles Greene en Brian Stone. Beiden blijken weinig opname-ervaring te hebben en het resultaat doet Stills en Young dan ook besluiten om het produceren zo snel mogelijk zelf onder de knie te krijgen. Het valt overigens op dat de monoversie van het album (te vinden in de Buffalo Springfield-boxset uit 2001) vele malen beter klinkt dan de stereo-uitgave.

Kwalitatief overtreft de groep het debuut ruimschoots met het tweede album Buffalo Springfield Again, dat in november 1967 verschijnt. De productie is stukken beter, de muziek is avontuurlijker, Stills en Young zijn verder gegroeid als componisten en ook in Furay blijkt een uitstekend liedschrijver te schuilen. Toch klinkt de lp – net als het derde en laatste album Last Time Around (1968) – als een verzameling solonummers van de songwriters in de band. Buffalo Springfield zou nooit meer zo duidelijk als één geheel klinken als op de alleraardigste debuut-lp.