Vandaag 71 jaar geleden, op 14 april 1945, werd meestergitarist/songwriter Ritchie Blackmore geboren in Weston-super-Mare in het graafschap Somerset in zuidwest Engeland, als Richard Hugh Blackmore. Hij is de tweede zoon van Lewis J. Blackmore en Violet Short en toen hij twee jaar oud was, verhuisde de familie naar de plaats Heston in het graafschap Middlesex in zuidoost Engeland.  

Op zijn elfde kreeg hij van zijn vader een (akoestische) gitaar, met als opdracht om deze te leren bespelen. En dus nam hij klassieke gitaarles en ging hij druk bezig om het gitaarspelen onder de knie te krijgen. Ritchie vertelde in 1979 in een interview met het Britse muziekblad Sounds dat hij graag zo wilde leren gitaarspelen als Tommy Steele, die al dansend en springend op zijn gitaar speelde.

Hij haatte school en zijn leraren en wilde niets liever dan alleen maar gitaarspelen. Op de middelbare school was hij wel enthousiast met sport bezig, in het bijzonder met speerwerpen. Op zijn vijftiende ging hij van school af en ging toen werken als leerling-technicus bij een bedrijf in de buurt van luchthaven Heathrow. Daarnaast nam hij gitaarles van sessiegitarist Big Jim Sullivan, die bij hem in de buurt woonde. Sullivan speelde op meer dan vijftig Britse nummer 1-hits!

Sessiewerk
In 1960 ging hij ook sessies doen in de studio bij de bekende producer Joe Meek. Daarnaast speelde hij in verschillende bands, waarvan de instrumentale band The Outlaws (niet te verwarren met de gelijknamige Amerikaanse southern rockband die in de jaren zeventig bekend werd) de bekendste was. De muziek van deze band zat in dezelfde ‘hoek’ als The Shadows en Dick Dale. Met The Outlaws maakte hij studio-opnames en trad hij veel op. Ook deed hij zowel studiosessies als optredens met indertijd bekende artiesten als de Duitse zanger Heinz (hij speelde op diens hitsingle Just Like Eddie), zangeres Glenda Collins, zanger Neil Christian en ‘horrorzanger’ Screaming Lord Sutch.

Deep Purple
In 1968 richtte Blackmore samen met organist Jon Lord (toen de belangrijkste songwriter én bandleider) de Britse progressieve rockband Deep Purple op. Met de Mark One-formatie, met zanger Rod Evans, bassist Nick Simper en drummer Ian Paice, maakte hij drie langspeelplaten en kreeg hij een hit met de cover Hush (van Joe South). Toen Evans en Simper in 1969 vervangen waren door respectievelijk Ian Gillan en Roger Glover (wat sindsdien de Mark Two bezetting wordt genoemd), nam Blackmore in feite het roer over van Lord en werd de muziekstijl van de band drastisch gewijzigd in wat we sindsdien hardrock noemen.

Vanaf de zeer succesvolle vierde langspeelplaat Deep Purple In Rock werden de band en dus ook Blackmore, wereldberoemd. Omdat de persoonlijke relatie tussen Blackmore en Gillan al vrij snel slecht werd en dat steeds vaker tot flinke ruzies leidde, werd Gillan ontslagen (diens goede vriend Roger Glover stapte toen ook op) en vervangen door David Coverdale en bassist/zanger Glenn Hughes (dit was inmiddels Mark Three). Na enkele jaren stapte Blackmore in 1974 zelf op om zijn eigen band Ritchie Blackmore’s Rainbow op te richten, omdat de nieuwkomers steeds vaker hun ideeën doordrukten en die van hem niet wilden. Deep Purple ging verder met gitarist Tommy Bolin, al was dat door diens heavy drugsgebruik maar van korte duur.

In 1984 kwamen de vijf mannen van de Mark Two-bezetting van Deep Purple weer bij elkaar, ze namen twee studioalbums en een livealbum op en toerden intensief. Maar de verstandhouding tussen Blackmore en Gillan werd zienderogen slechter, wat onder meer te merken was aan het feit dat Ritchie regelmatig weigerde om Smoke On The Water, de vaste laatste toegift, te spelen. Gillan moest zich vaak verontschuldigen voor zijn verslechterende zangkwaliteiten (hij kon niet meer zo hoog zingen als voorheen). In 1989 kwam er weer een einde aan de samenwerking tussen beide kemphanen.

In 1990 ging Deep Purple (inmiddels Mark Five) verder met de Amerikaanse zanger Joe Lynn Turner, die voordien in Rainbow had gezongen. Ze maakten één studioalbum, Slaves And Masters. In 1992 kwam Ian Gillan weer terug en dus was de Mark Two-formatie weer actief, zij het vrij kort, want in november 1993 stapte Blackmore definitief op, tijdens een promotietour voor het album The Battle Rages On… Gitaarvirtuoos Joe Satriani werd tijdelijk aangetrokken om die tournee plus de daaropvolgende af te maken. Om contractuele redenen kon hij niet als vast bandlid worden aangenomen, waarna in 1994 bezetting Mark Seven van start ging, met de Amerikaanse ex-Kansas-gitarist Steve Morse, die ook nu nog steeds lid van de band is. Deep Purple’s sound werd door de komst van Morse wel wat anders, vooral melodieuzer. In 2002 stopte Jon Lord en werd vervangen door Don Airey (Mark Eight dus). Lord overleed in 2012 op 71-jarige leeftijd.

Rainbow
Na zijn vertrek uit Deep Purple in 1974 richtte Blackmore de band Ritchie Blackmore’s Rainbow op, die korte tijd later omgedoopt werd tot eerst Blackmore’s Rainbow en daarna tot Rainbow. De muzikanten in deze band waren afkomstig uit de Amerikaanse band Elf, met als leadzanger Ronnie James Dio. Met hen maakte hij het debuutalbum Ritchie Blackmore’s Rainbow in 1975 en ging hij op tournee. Het album kreeg goede recensies en verkocht boven verwachting goed. Hij was echter ontevreden over de muzikanten en ontsloeg ze, behalve Dio uiteraard. In 1976 volgde het tweede album Rising, met de nieuwe line-up: naast Dio en Blackmore waren dat Jimmy Bain op bas, toetsenist Tony Carey en drummer Cozy Powell. Met deze muzikanten ging de band op wereldtournee, die erg succesvol was. Het tijdens deze tour opgenomen live-dubbelalbum On Stage (1977) werd ook heel goed ontvangen, al rommelde het inmiddels in de gelederen. Naast door Dio en Blackmore samen geschreven songs stond ook de Deep Purple-klassieker Mistreated op de setlist. De hitparade werd gehaald met de single Long Live Rock & Roll.

In de loop der jaren veranderde de bezetting regelmatig. Vrijwel iedereen is het erover eens dat Ronnie James Dio de gedroomde frontman en zanger van de band was, maar nadat hij in 1979 op solopad ging (met eigen band Dio) werd hij opgevolgd door Graham Bonnett, nadat Ian Gillan had geweigerd om weer met Blackmore te werken (en wie zou hem dat kwalijk nemen?). Met Bonnett kreeg de band een grote hit met Since You’ve Been Gone, geschreven door Russ Ballard.

Wijlen drummer Cozy Powell vertelde ondergetekende ooit in een interview: ‘Niemand van ons wilde die song (Since You’ve Been Gone) doen. We vonden het nummer wel goed, maar niet geschikt voor Rainbow. Op het laatst werden we door de platenmaatschappij gedwongen de song op te nemen. Ritchie deed de solo terwijl hij de krant zat te lezen, echt waar! Ik zei: ‘ik speel het maar een keer en daarna ga ik weg.’ En zo gebeurde het ook, het was haast een vorm van rebellie. Het werd dus een wereldhit, iedereen wilde die klassieke song horen. Soms gaan de dingen nu eenmaal anders dan je wilt.’

Inmiddels waren toetsenist Don Airey en bassist Roger Glover tot de band toegetreden. Na het vertrek van Bonnett was de zangmicrofoon voor Joe Lynn Turner. Maar inmiddels was het succes van Rainbow tanende… en zoals hierboven vermeld werkte Blackmore in 1984 mee aan het heropgerichte Deep Purple Mark Two, wat tot 1993 zou duren. Nadat Blackmore nu echt definitief (tot nu toe althans) uit Deep Purple was gestapt, ging hij een nieuwe versie van Rainbow formeren. De Schotse zanger Doogie White werd de nieuwe frontman. In 1995 kwam het album Stranger In Us All uit, waarna de band aan een uitgebreide wereldtournee begon.

Verschillende optredens in Duitsland werden opgenomen en gefilmd, zoals het concert in Düsseldorf voor Rockpalast. Deze concerten hadden regelmatig een andere setlist dan de dag ervoor of erna, vandaar dat bootlegs van deze shows nog altijd zeer gewild zijn. Diverse concerten zijn inmiddels officieel op dubbel-cd uitgebracht. Het concert in het Deense Esbjerg in 1997 was het laatste optreden van Rainbow, tot nu toe dan. Want komende zomer staan (voor zover nu bekend) drie concerten gepland, twee in Duitsland (17 en 18 juni) en eentje in Birmingham, Engeland (25 juni). De line-up is, naast uiteraard Blackmore op gitaar, Lords Of Black-zanger Ronnie Romero, Stratovarius-toetsenist Jens Johansson, Blackmore’s Night-drummer David Keith en bassist Bob Nouveau.

Blackmore’s Night
Samen met zijn veel jongere vriendin, de Amerikaanse zangeres/tekstschrijfster Candice Night (8 mei 1971) begon hij in 1997 de band Blackmore’s Night. Ze leerden elkaar kennen tijdens een door haar gepresenteerd radioprogramma, waarna ze verder praatten en toen bleek dat ze beide veel affiniteit hadden met dezelfde onderwerpen: de Middeleeuwen (en dan vooral de muziek uit die tijd en kastelen), de Renaissance en voetbal. Ze was al fan van Rainbow en vroeg Ritchie om een handtekening na het interview en ze raakten bevriend en al snel verliefd.

Candice schreef al langer songteksten en zong ook, zodat Ritchie haar meenam naar Deep Purple-concerten tijdens de laatste tour, ze zong af en toe mee als achtergrondzangeres. Toen Rainbow weer werd opgericht ging ze ook teksten schrijven voor door Ritchie geschreven songs op het album Stranger In Us All en ook nu deed ze als achtergrondzangeres mee tijdens de concerten.

Ritchie was het rocken beu geraakt en wilde muziek uit de Renaissance gaan maken, samen met eigen werk dat daarmee verwant is. Je zou het een versie van folkrock kunnen noemen, de muziekstijl die Blackmore’s Night sinds het begin maakt. Shadow Of The Moon was het debuutalbum (1997), wat een behoorlijk succes werd, mede omdat Jethro Tulls Ian Anderson meedeed op de song Play Minstrel Play. Ook opvolger Fires At Midnight was een succes en de concerten, vooral in Duitsland, trokken veel publiek. De band speelde en speelt het liefst in of bij kastelen en kathedralen en daarvan zijn er bij onze oosterburen vele. Bij de optredens is het opvallend dat Blackmore vrijwel continu op de achtergrond staat te spelen, terwijl Candice Night vrijwel voortdurend in de spotlights staat.

Ritchie en Candice schrijven veel songs samen en elk album heeft minstens één instrumental van de meester zelf. Zo nu en dan, ook soms bij concerten, neemt hij zijn Stratocaster ter hand, maar het meest speelt hij op akoestische gitaren en op oude instrumenten als de luit en draailier. Wat ondergetekende altijd vreemd heeft gevonden is dat op de albums (steevast geproduceerd door Pat Regan) én bij de concerten veelal elektronisch slagwerk te horen is, naast ‘ingeblikte’ instrumenten (bijvoorbeeld strijkers en klavecimbel) die of uit een synthesizer of uit een sampler komen. Zowel op albums als bij optredens worden ook covers ten gehore gebracht, zoals The Times They Are A-Changin’ van Bob Dylan, Soldier Of Fortune van David Coverdale, Streets Of London van Ralph McTell, Celluloid Heroes van The Kinks en zelfs Child In Time van Deep Purple. De nieuwste cd van Blackmore’s Night heet All Our Yesterdays en verscheen in september 2015.

Net als bij Rainbow en Deep Purple heeft ook Blackmore’s Night regelmatig te maken met wisselingen in de bezetting. Over het algemeen dragen de muzikanten (schuil)namen als Sir Robert of Normandie, Lady Rraine, Malcolm of Lumley, etc. Veel fans kleden zich bij de concerten in ‘garb’, oftewel klederdracht zoals men die in de Renaissance tijd droeg. De eerste rijen bij de concerten zijn uitsluitend voor deze mensen gereserveerd. In feite speelt de band altijd voor een zittend publiek. In Nederland werd onder meer opgetreden in Paradiso, maar dat zal vast niet wéér gebeuren, omdat naast geluidsproblemen Blackmore zich ook zichtbaar ergerde aan het geklets bij de bar. Er kwam die avond dan ook geen toegift…

Het concert in De Oosterpoort in Groningen in 2002 werd opgenomen en als dubbel-cd Past Times With Good Company uitgebracht. Verder trad de band deze eeuw op in de inmiddels verdwenen Pepsi Stage in Amsterdam en in 2012 in De Vereeniging in Nijmegen. Intussen toeren de echtelieden gewoon door, deze zomer staan alweer optredens in Tsjechië en vooral Duitsland gepland, waarna ze door de States gaan toeren.

In 2008 trouwden Ritchie en Candice, na 15 jaar samenwonen; ze wonen in de buurt van New York en verblijven nog altijd graag in kastelen als ze in Europa zijn. In 2010 werd hun dochter Autumn geboren. Tenslotte: het management van Blackmore’s Night wordt vanaf het eerste uur verzorgd door Carole Stevens. Zij is de moeder van Candice en waarschijnlijk iets jonger dan de jarige Job van vandaag.

Voetbal
Zowel Ritchie als Candice houden van voetbal. Zij noemt het zelfs football en niet, zoals de meeste van haar landgenoten, soccer. Wat vaak gebeurde op concertdagen, meestal voorafgaand of net na de soundcheck, is dat een voetbalwedstrijdje werd georganiseerd tussen Team Blackmore (muzikanten en crewleden) en een team van lokaal personeel en/of pers. Dit gebeurde al in de tijd van Deep Purple overigens. Blackmore houdt niet van verliezen en als dat toch gebeurde, dan was hij meestal niet te genieten… het gebeurde vaak dat er dáárom geen toegift werd gegeven. Toen ondergetekende Blackmore in 2001 interviewde, antwoordde hij op de vraag wie zijn favoriete gitarist was, Franz Beckenbauer. Daarmee duidelijk proberend mij als Nederlander op de kast te jagen. Maar ja, ik heb niets met voetbal… dus die poging mislukte. De volgende dag wilde ik foto’s maken tijdens de voetbalwedstrijd Team Blackmore (inclusief Ritchie en Candice) versus internationale muziekpers. Dit mocht alleen als ik meedeed met voetballen. In de vijf minuten die ik in het veld stond, kon ik mooi foto’s maken en het lukte mij zelfs een voorzet te geven die in een doelpunt tegen Team Blackmore resulteerde! Uiteindelijk verloor het persteam met 4-3 en dus kwam er ’s avonds gewoon een toegift!

Foto Blackmore’s Night in Nijmegen (2012): Harry Pater