Classic Rock Mag licht elke week de cruciale momenten uit de carrière van een legendarische band of artiest uit. Welke songs, optredens of gebeurtenissen achter de schermen zijn van grote invloed geweest op de loopbanen van deze iconen? Deze week werpen we een blik op de wonderbaarlijke geschiedenis van The Who.

1. Substitute: Keith Moon vervangt Dave Sandom

Het verhaal van The Who begint bij de schoolvrienden Pete Townshend en John Entwistle, die zich aansloten bij de band van Roger Daltrey: The Detours. De veel oudere Doug Sandom nam plaats achter het drumstel. Omdat er al een andere groep met dezelfde naam bestond, besloot The Detours op Valentijnsdag 1964 de naam te veranderen in The Who. Hetzelfde jaar werd Sandom uit de band gezet en in eerste instantie nam een sessiedrummer zijn plaats in. Keith Moon – die rond die tijd in de band Clyde Burns & The Beachcombers speelde – kende zijn toekomstige collega’s al van de Detours-tijd en werd in april 1964 de definitieve drummer van The Who. [DG]

detours

2. We Got A Hit: De vroege singles en de eerste vernietigde instrumenten

Voor de eerste single onderging de band wederom een (tijdelijke) naamsverandering: Zoot Suit verscheen in hetzelfde jaar onder de naam The High Numbers, met weinig commercieel succes. Het lied werd (net als de schitterende b-kant I’m The Face) geschreven door toenmalig manager Peter Meaden. De release was een aardige voorloper van het latere werk, maar valt in het niet vergeleken met de briljante Pete Townshend-composities die volgden. Enkele maanden later sloeg Townshend in Harrow, Londen per ongeluk zijn gitaar kapot, waarop ook Moon zijn drumkit vernielde. De allesvernietigende liveact was geboren. Het commerciële succes liet niet lang op zich wachten: met Townshends I Can’t Explain (de eerste single onder de naam The Who) bestormde de band begin 1965 de Britse hitlijsten. Nog even en niemand kon meer om The Who heen… [DG]

3. “I hope I die before I get old…”: My Generation

De vroege singles van The Who deden het redelijk in de Britse hitlijsten, maar met My Generation wist de band een nummer te schrijven dat niet alleen op dat moment een groot succes werd, maar ook een legendarische track die, zoals de titel al verklapt, altijd symbool zou blijven staan voor een hele generatie. De frustratie over het vinden van een eigen plek in de maatschappij is niet alleen in de teksten, maar ook in de muziek duidelijk hoorbaar. Pete Townshend schreef het nummer naar verluidt in een trein. De zo bekende zin “I hope I die before I get old” heeft hij niet helemaal kunnen waarmaken; gelukkig maar. Overigens legde Townshend later uit dat hij met ‘old’ eigenlijk ‘rijk’ bedoelde.  [SS]

4. A Quick One: Breuk met producer Shel Talmy, eerste experiment met rockopera

Naar het gevoel van manager Kit Lambert kreeg de band te weinig vrijheid (en geld) van Shel Talmy, die het debuutalbum My Generation produceerde. Na de release van de songklassieker Substitute volgde een rechtszaak tegen Talmy, die hij duidelijk zou winnen. Daarom werd besloten om hem een deel van de royalties voor alle Who-platen tot en met 1971 toe te kennen. Townshend kreeg er wel artistieke vrijheid voor terug en dat was te horen op het tweede album A Quick One (1966). Met name in de mini-rockopera A Quick One, While He’s Away, een briljante aaneenschakeling van melodieuze songs die samen een verhaal vertelden. Daarmee was A Quick One… de voorloper van het latere megasucces Tommy. [DG]

5. Success Story: Monterey Pop en The Smothers Brothers Comedy Hour

Met zijn (letterlijk) explosieve shows had de band weinig te maken met het overheersende gevoel van ‘peace and love’ op het Monterey Pop Festival in juni 1967. Legendarisch zijn de beelden aan het einde van de My Generation-uitvoering, waarin nog maar weinig van Townshends gitaar overblijft. Tot dan toe had The Who vooral in eigen land succes, maar dankzij dit historische optreden brak het viertal ook definitief door in Amerika. Degenen die Monterey Pop misten, konden de bandleden alsnog hun instrumenten zien vernietigen in een legendarische uitzending van The Smothers Brothers Comedy Hour (zie de video bij nummer 3). [DG]

6. The Seeker: Townshend raakt onder invloed van Meher Baba

Na Monterey raakte Townshend onder invloed van de Indiase goeroe Meher Baba. In November 1970 werd in Rolling Stone een lang artikel van Townshend gepubliceerd: In Love With Meher Baba. Daarin schreef de gitarist dat hij voor het eerst van hem hoorde dankzij Mike McInnerney (de ontwerper van de beroemde Tommy-hoes): “Elke keer als ik met een theorie kwam waar ik jaren over had nagedacht, zei hij me: ‘Dat is toevallig man, ene Meher Baba zei ongeveer hetzelfde in het boek The God Man.’ Nadat ik weer een dierbare openbaring had die volgens Mike al door Baba was gezegd, moest ik het boek wel openslaan.” De ideeën van Mahar Baba over onder meer reïncarnatie en drugs waren van grote invloed op Townshends leven en songs. Niet alleen liet de rocker zich door hem beïnvloeden voor het concept van Tommy, hij droeg het hele album ook aan Meher Baba op. En we hoeven waarschijnlijk niet uit te leggen wat de connectie met de Who-klassieker Baba O’Riley is… [DG]

7. Let’s See Action: Tommy en Woodstock

Na de experimenten met het eerdergenoemde A Quick One… gaf Townshend in 1968 aan dat hij werkte aan een volledige rockopera. Al bestond die term toen eigenlijk nog niet en was het resulterende Tommy het eerste project dat specifiek die naam meekreeg, al waren er wel eerdere albums geweest die als rockopera te kenmerken waren. Over de inhoud en invloed van Tommy hoeven we eigenlijk niets meer toe te lichten. Een paar maanden na de release van het album stond The Who op Woodstock, waar hippieactivist Abbie Hoffman het optreden verstoorde om aandacht te vragen voor John Sinclair, die vanwege wietbezit tot 10 jaar cel was veroordeeld. “Fuck off. Fuck off my fucking stage”, beet Townshend hem toe, waarna hij hem een stevige klap met zijn gitaar gaf. [SS]

8. Here For More: De concerten in Leeds

De reputatie van The Who als een van ‘s werelds beste livebands werd nogmaals bevestigd toen in 1970 de lp-klassieker Live At Leeds verscheen, vaak genoemd als het ultieme live-rockalbum. De plaat bevatte destijds slechts zes tracks (inmiddels is de hele show verkrijgbaar). The Who had al eerder plannen voor een eerste liveplaat gemaakt. Verschillende shows van de tour die na de release van klassieker Tommy volgde, werden opgenomen maar toch niet gebruikt (Townshend zou zelfs opdracht gegeven hebben om de opnames te verbranden). In plaats daarvan gaf The Who in het volgende jaar twee concerten in Engeland. Eén in de universiteit van Leeds op Valentijnsdag en één in Hull, de dag daarop (later eveneens uitgebracht). Ook verpletterend was het showstelende optreden op het Isle Of Wight Festival in augustus van dat jaar, zoals hieronder te zien is. [DG]

9. Faith In Something Bigger: Quadrophenia en solocarrières

Een opvolger voor Tommy werd door Pete Townshend bedacht in de vorm van Lifehouse, een nieuwe rockopera. Het lukte hem echter niet om zijn complexe ideeën voor dit project vorm te geven in nummers en over te brengen op de bandleden. In plaats daarvan werd besloten om een deel van het materiaal dat er al was onder te brengen in een regulier studioalbum: Who’s Next. Die plaat werd in 1973 opgevolgd door Quadrophenia, wél weer een rockopera. De hoofdpersoon was deze keer ene Jimmy die aan schizofrenie leidt, waarbij zijn verschillende persoonlijkheden naar verluidt symbool zouden staan voor de bandleden van The Who. Hoewel de band nooit uit elkaar ging of echt lange pauzes nam, verschenen er in deze periode ook verschillende soloalbums van alle bandleden. [SS]

10. The Good’s Gone: Keith Moon overlijdt

Augustus 1978 was een goede maand voor The Who. Het net uitgebrachte Who Are You deed het uitzonderlijk goed en beloofde zelfs het bestverkopende album van de band te worden. Dit succes werd een maand later plotseling overschaduwd, toen op 7 september Keith Moon bezweek aan een overdosis Heminevrin, een medicijn dat wordt gebruikt om af te kicken van alcohol. The Who zou nooit meer hetzelfde zijn. Oud-Faces drummer Kenney Jones vulde het achtergebleven gat en in die bezetting bracht de band nog twee studioalbums uit. Nadat Townshend in 1982 afkickte van de alcohol- en heroïneverslavingen die hij de jaren ervoor had ontwikkeld, besloot hij nog één tournee te doen met de band. Bedoeling was om The Who daarna als studioproject te laten voortleven, maar nadat het hem niet lukte om met voldoende goed materiaal voor een nieuwe plaat te komen, was The Who effectief ten einde. [SS]

11. Endless Wire: Reünieshows en de dood van John Entwistle

Na het uiteenvallen van The Who concentreerden Roger Daltrey en Pete Townshend zich op hun solocarrières (Townshend droeg ook bij aan David Gilmours soloalbum About Face). Samen met Entwistle en Kenney Jones op drums kwam de band op 13 juli 1985 toch weer bij elkaar voor het grootse Live Aid-festival. Ondanks problemen met beeld en geluid zagen miljoenen mensen over de hele wereld een band in uitstekende vorm, in contrast met de rommelige set van Led Zeppelin (ook voor deze gelegenheid weer bij elkaar gekomen). In 1989 volgde eindelijk weer een tour en een jaar later volgt de welverdiende plek in de Rock & Roll Hall Of Fame. De band bleef toeren (met onder meer het Quadrophenia-album), maar van een nieuwe plaat kwam het maar niet. Tragisch genoeg werd John Entwistle op 27 juni 2002 dood gevonden in een hotelkamer in Las Vegas. De rockwereld verloor daarmee een van de allerbeste bassisten in het genre. Het betekende echter niet het einde van The Who. Daltrey en Townshend besloten te toeren en namen zelfs een nieuw studioalbum op (het prima Endless Wire, 2006). Het duo is inmiddels een dagje ouder, maar ook met z’n tweeën staat Who nog steeds zijn mannetje. Dat zal aanstaande vrijdag nogmaals duidelijk worden tijdens het optreden in de Ziggo Dome. [DG]