Classic Rock Mag licht elke week de cruciale momenten uit de carrière van een legendarische band of artiest uit. Welke songs, optredens of gebeurtenissen achter de schermen zijn van grote invloed geweest op de loopbanen van deze iconen? Deze week werpen we een blik op de wonderbaarlijke geschiedenis van Deep Purple.

1.  Come Taste The Band  Chris Curtis weet Tony Edwards te strikken voor zijn nieuwe project

De formatie van een van ’s werelds belangrijkste hardrockbands is voor een groot deel te danken aan een ontmoeting tussen zakenman en manager Tony Edwards en Chris Curtis, drummer van de succesvolle popgroep The Searchers. Curtis had een idee voor een band en hij hoopte Edwards als manager te strikken voor deze nieuwe formatie, die alvast Roundabout gedoopt werd. Toetsenist Jon Lord (die voorheen deel uitmaakte van de band The Artwoods, met Ron Woods broer Art), gitarist Ritchie Blackmore, zanger Rod Evans, drummer Ian Paice en bassist Nick Simper vormden de eerste line-up (‘Mark I’) van wat in 1968 al snel Deep Purple ging heten. Blackmore had een Britse versie van Vanilla Fudge in gedachten. Die Amerikaanse band oogstte vooral succes met bijzondere covers van welbekende songs. Deep Purple wilde voor de eerste single dan ook een versie van The Beatles’ Help! uitbrengen, maar de platenmaatschappij koos toch voor de pakkende versie van Hush, een compositie van de in 2012 overleden singer-songwriter Joe South. Een slimme zet, want hoewel succes in eigen land (nog) uitbleef en de band duidelijk nog zoekende was naar een eigen geluid, deed de single het verrassend goed in Amerika.

2. Gettin’ Tighter  Het ontstaan van Mark II

De ‘Mark I’ line-up bracht in twee jaar tijd een aantal singles (allen niet zo succesvol als Hush) en drie albums uit. Met name met het epische April van de derde lp – simpelweg Deep Purple getiteld – wist de band zich steeds meer te onderscheiden, maar Blackmore en Lord wilden een stevigere richting ingaan. Een richting die zanger Rod Evans niet aankon,  meenden zij. Een vocalist die dat wel kon, was Ian Gillan, toen nog zanger bij een band genaamd Episode Six. Ook bassist Roger Glover maakte daar deel van uit en toonde interesse in Deep Purple. Mark I-basman Nick Simper werd aan de kant geschoven en de klassieke Mark II-lineup was geboren. De meningen waren verdeeld over de eerste single Hallelujah en het invloedrijke project Concerto For Group And Orchestra (beide uit 1969), maar dankzij het studioalbum In Rock (1970) behoorde Deep Purple ineens tot de belangrijkste namen binnen de hardrock, samen met Led Zeppelin en Black Sabbath. Overigens lagen Blackmore en Gillan in die periode al met elkaar overhoop, zo herinnerde Roger Glover zich: “Ian leek te ontsporen met zijn gedrags- en drankproblemen. Hij en Ritchie botsten en Ian kwam waarschijnlijk op het punt waarop hij dacht: ‘Ik ben de zanger. Als Ritchie zich zo kan gedragen, kan ik dat ook.’ En dus werd hij een even grote eikel.”´

3. “We all came out to Montreux…”  Rook op het water in Montreux

Het verhaal achter de megahit Smoke On The Water is overbekend, maar mag daarom natuurlijk niet ontbreken in een overzicht met de cruciale Deep Purple-momenten. De rockers waren op 4 december 1971 in Montreux voor de opnames van het legendarische album Machine Head en zaten die avond in het publiek toen Frank Zappa & The Mothers optraden in het plaatselijke casino. Er ontstond een brand nadat een van de concertgangers een lichtkogel afvuurde op het plafond (in Smoke On The Water vereeuwigd in de zin “Some stupid with a flare gun burned the place to the ground”). Het hele theater brandde af, maar er vielen geen gewonden en het incident leverde Deep Purple zijn bekendste lied op (mede te danken aan een gitaarriff die nog steeds bij jong en oud bekend is). Overigens was de droge reactie van Zappa toen ‘some stupid’ zijn lichtkogel afvuurde naar verluidt: “Arthur Brown in person!”

4. Made In Japan  De concerten in Japan

Ook al was de lp Concerto For Group And Orchestra van Deep Purple met The Royal Philharmonic Orchestra uit 1969 live opgenomen, de ongelooflijke energie en klasse die de band op het podium bracht, was nog niet vastgelegd op plaat (al waren er wel meerdere opnames gemaakt die op de plank bleven liggen). Tot de band eind 1972 met de dubbel-lp Made In Japan kwam, opgenomen tijdens drie concerten in Japan en vooral uitgebracht om de bootlegmarkt te grazen te nemen. Oorspronkelijk zou Made In Japan alleen in Japan verschijnen, maar al snel kon ook de rest van de wereld horen hoe overweldigend Deep Purple live was. Ian Gillan was het daar overigens niet helemaal mee eens. Sommige opnames waren afkomstig van de tweede avond in Tokio, terwijl de zanger naar eigen zeggen beter in vorm was op de laatste avond. Die opname kon echter niet gebruikt worden vanwege de slechte akoestiek. Hoe dan ook, Made In Japan staat vandaag de dag te boek als een zelden geëvenaard voorbeeld van een band op zijn live-hoogtepunt. De albumtitel werd legendarisch en prijkte onlangs nog op een nieuwe live-release van Whitesnake.

5. What’s Goin’ On Here?  Ian Gillan en Roger Glover verlaten Deep Purple

Zoals hierboven al vermeld, was er tijdens de opnames van de eerste Mark II-plaat (Deep Purple In Rock) al onenigheid tussen Blackmore en Gillan. Toen het vijftal de studio indook voor de opvolger van Machine Head, waren de twee elkaar dan ook spuugzat. Blackmore maakte al plannen voor een nieuw project onder de naam Baby Face, met Thin Lizzy-frontman Phil Lynott en Ian Paice (dat uiteindelijk niet van de grond kwam), en hield songideeën achter voor die band. De volgende Deep Purple-lp Who Do We Think We Are (verschenen in 1973) was dan ook lang niet zo memorabel als de voorgangers, ondanks de fijne singlehit Woman From Tokyo. Jon Lord omschreef de situatie als volgt: “Op het podium staan ging prima, maar de wil om te ontdekken was verdwenen.” Gillan en Glover verlieten Deep Purple, zanger/bassist Glenn Hughes (Trapeze) en de destijds minder bekende David Coverdale (Blackmore had zijn zinnen gezet op Paul Rodgers, maar die wilde doorgaan met Free) namen hun plaatsen in.

6. The Battle Rages On…  California Jam 1974

Met nieuw bloed in de bezetting sloeg Deep Purple ook een nieuwe richting in. Hoewel de bandnaam was gebleven, gaf Blackmore toe dat de ‘Mark III’-lineup eigenlijk een totaal andere band was. Desondanks resulteerde de volgende lp Burn (1974) in een van de sterkste uit de discografie. Het is doorgaans niet vanzelfsprekend dat fans een nieuwe bezetting van een band omarmen, maar de plaat bleek ook een commercieel succes. In Amerika was dat voor een groot deel te danken aan een uiterst memorabel en op televisie uitgezonden optreden op de eerste California Jam, waar 250.000 mensen kwamen opdagen en verder o.a. Emerson, Lake & Palmer en Black Sabbath op het programma stonden.  Beroemd is de (letterlijk) explosieve finale van Space Truckin’:

7. Lay Down Stay Down  Deep Purple gaat uit elkaar

Na twee Mark III-studioalbums (Burn en het onderschatte Stormbringer) kreeg Ritchie Blackmore opnieuw genoeg van Deep Purple. Hij pakte zijn biezen en de band onderging wederom een bezettingswisseling. Tommy Bolin, bekend van James Gang, nam de gitaarpartijen van Blackmore over, wat het album Come Taste The Band (1975) opleverde. Voor veel fans was deze verandering in de line-up er een te veel, ontdekte vooral Bolin. Zo meldde hij in een interview met Circus Magazine: “Als iemand roept: ‘Waar is Blackmore?’ tijdens een van onze concerten, doe ik gewoon wat ik deed toen men riep: ‘Waar is Joe Walsh?’ tijdens James Gang-optredens. Ik gooi kaarten met zijn adres het publiek in.” Ondertussen kreeg Jon Lord heimwee naar het oude Deep Purple: “Hij [Bolin] begreep niet wat het publiek wilde en nodig had, en we kwamen met een album dat niets met Deep Purple te maken had.” Na de bijbehorende tour werd de band in juli 1976 officieel opgeheven.

8. Knocking At Your Back Door  De comeback

De ex-bandleden van Deep Purple richtten zich in de tweede helft van de jaren zeventig en de vroege jaren tachtig op eigen projecten. Om een paar te noemen: Roger Glover scoorde een hit met Love Is All, Blackmore richtte natuurlijk Rainbow op (waar Glover later ook deel van uitmaakte), Jon Lord en Ian Paice zaten met David Coverdale in Whitesnake, en Ian Gillan had zijn eigen band. Na een mislukt avontuur van Gillan als zanger van Black Sabbath (dat in de pers lacherig werd omschreven als ‘Deep Sabbath’) kwam de wens van vele Deep Purple-fans toch nog uit: een reünie van de populairste line-up. Blackmore, Gillan, Glover, Lord en Paice namen een prima nieuwe plaat op (Perfect Strangers, 1984) en er volgde een uiterst succesvolle tour (een van de shows komt binnenkort uit op de dvd Perfect Strangers Live). Maar veel fans beseften dat de wispelturige persoonlijkheden van Blackmore en Gillan vroeg of laat weer met elkaar zouden botsen…

9. Contact Lost  Ritchie Blackmore verlaat Deep Purple definitief

Er volgde een tweede album van de herenigde Mark II line-up (The House Of Blue Light, 1987), maar het geruzie tussen Blackmore en Gillan leidde er opnieuw toe dat een bezettingswisseling moest plaatsvinden. Gillan vertrok en in zijn plaats kwam Joe Lynn Turner, die in de jaren tachtig als zanger van Rainbow had gediend. Deze Mark V line-up bracht het matig ontvangen Slaves And Masters (1990) voort, waarna Gillan weer terugkeerde voor het eveneens teleurstellende The Battle Rages On (1993). Halverwege de tour bij die plaat vertrok wéér een bandlid, ditmaal Blackmore. In eerste instantie werd hij vervangen door Joe Satriani, maar de keuze voor de definitieve Deep Purple-gitarist viel op Steve Morse (ex-Kansas). Hij blies de band nieuw leven in op het uitstekende album Purpendicular (1996). Toch werd Blackmore door veel fans gemist, maar de kans dat hij ooit nog terugkeert lijkt behoorlijk klein. Zo zei Gillan onlangs in een interview: “Als Ritchie in de band was gebleven, had dat het einde van Deep Purple betekend.”

10. Bird Has Flown  Het afscheid van Jon Lord

Medeoprichter en oorspronkelijk toetsenist Jon Lord overleed vorig jaar op 71-jarige leeftijd aan alvleesklierkanker. In zijn laatste interview met het Britse Classic Rock Magazine vertelde hij dat hij weer goed contact had met Blackmore: “Hij stuurde me een heel aardige brief en het was fijn om weer van hem te horen. Onze wegen scheidden zich twintig jaar geleden. Hij ging zijn weg en ik de mijne. Maar we hebben veel meegemaakt en dat zullen we altijd bij ons dragen.” Toen Lord overleed maakte hij net zoals Blackmore al lange tijd geen deel meer uit van Deep Purple. Hij verliet de band in 2002, zijn vervanger was de eveneens gerespecteerde toetsenman Don Airey. Ook zonder Blackmore en Lord, die het geluid van Deep Purple ooit voor een groot deel bepaalden, spreekt de legendarische hardrockgroep in het nieuwe millennium nog steeds een groot publiek aan. Dit jaar verscheen Now What?!, het eerste album in acht jaar. Deze release werd logischerwijs opgedragen aan Jon Lord.