Elke week licht Classic Rock Mag een ‘verborgen juweel’ uit, een plaat die om wat voor reden dan ook totaal ondergewaardeerd werd of tot vandaag de dag onderbelicht bleef. Deze week is dat Calling All Stations van Genesis

Laten we eerlijk zijn: toen Phil Collins in 1996 aankondigde Genesis te verlaten, had de band geen schijn van kans meer. De progfans van het eerste uur waren al lang en breed afgehaakt, en de Collins-adepten zagen Genesis sowieso slechts als begeleidingsbandje en hadden dus geen enkele interesse in een voortzetting met andere zanger. Het is vooral om die reden dat Calling All Stations in 1997 geflopt is, want muzikaal viel er weinig te klagen.

De persoon die de onmogelijke taak kreeg om in Collins’ voetsporen te treden, was Ray Wilson: een destijds 28-jarige zanger die voorheen enige bekendheid had genoten in de grungeband Stiltskin. Nadat Tony Banks en Mike Rutherford al een lange zoektocht naar een nieuwe zanger achter de rug hadden, besloten ze Wilson te vragen auditie te doen nadat ze zijn album met Stiltskin hadden gehoord.

Calling All Stations verscheen uiteindelijk in september 1997 en het titelnummer waarmee de plaat opent laat al duidelijk horen dat de tijden van Land Of Confusion en I Can’t Dance voorbij waren: het nummer is zwaarder, donkerder, maar vooral ook inhoudelijk sterker. De stem van Wilson is rauwer en komt –als we dan toch gaan vergelijken– meer in de buurt bij Peter Gabriel dan bij Phil Collins.

De eerste single Congo is dankzij de zware gitaren en synthakkoorden nog steeds geen toonbeeld van lichtvoetige popmuziek. Het is duidelijk dat Banks en Rutherford met Genesis weer de wat serieuzere kant op wilden. Waarom overigens uitgerekend dit nummer tot single werd gebombardeerd is ons een raadsel, want Congo (dat overigens niet over het Afrikaanse land gaat, maar over een ruzie tussen twee mensen) behoort tot de zwakkere composities op Calling All Stations.

Banks en Rutherford hadden het grootste gedeelte van Calling All Stations al geschreven toen Wilson zich bij de band voegde. Toch was er nog ruimte voor hem om aan drie composities mee te werken: Small Talk, There Must Be Come Other Way en Not About Us, een prachtige ballad die uiteindelijk ook een single zou worden.

Dat Tony Banks een voorliefde heeft voor reggaeritmes zal voor de Genesiskenner geen geheim zijn. Eerder bracht hij deze invloeden al in nummers als Me And Sarah Jane (1981) en de bridge van Jesus He Knows Me (1991). Ook het eerste deel van de albumtrack Alien Afternoon heeft een behoorlijke reggaevibe, om uiteindelijk te ontaarden in een gelaagde rockballad.

De lijn die Genesis met Calling All Stations inzette, betekende ook een voorzichtige terugkeer van de progelementen en langere nummers (slechts drie tracks duren minder dan vijf minuten). Op The Dividing Line komt dit het duidelijkst naar voren en mede daardoor is dat veruit het beste nummer van de plaat. Met de spannende drumintro, typische Tony Banks-synthersizersolo’s en spannende zanglijn zou je dit bijna een terugkeer naar de oude sound van Genesis kunnen noemen, zij het in een wat ruiger, moderner jasje. Op het album klokt The Dividing Line acht minuten; live kon het nummer dankzij een verlengd instrumentaal slotstuk nog veel langer duren.

Naast de elf nummers die op het album stonden, kende de Calling All Stations-periode maar liefst zeven unieke b-sides. Ook hier zat sterk materiaal tussen, zoals het prachtige Run Out Of Time en het voor Genesis erg ongebruikelijk klinkende Banjo Man.

In de nieuwe bezetting ging Genesis ook weer live op pad. Hier moesten de bezettingswisselingen nog een stukje verder worden doorgevoerd: tourgitarist Daryl Stuermer was druk met een reeks Phil Collins-optredens en drummer Chester Thompson wilde geen deel uitmaken van de nieuwe bezetting omdat hij niet was uitgenodigd op het album te spelen (daarop werden de drumpartijen grotendeels vertolkt door Nir Zidkyahu, die uiteindelijk ook met de band op tour ging). De liveconcerten betekenden ook dat Wilson zich moest gaan wagen aan legendarisch Gabriel- en Collinsmateriaal, wat soms bijzonder dubieuze resultaten opleverde maar vaak ook onmiskenbaar iets toevoegde aan de versies die we al kenden.

Uiteindelijk gebeurde wat te verwachten viel: men zat in 1997/1998 niet te wachten op een Genesis zonder Phil Collins en zowel het album als de tour verkochten relatief slecht: met name in Amerika viel de interesse tegen en moesten alle concerten zelfs worden afgelast. De twee albums waarvoor Ray Wilson aanvankelijk een contract had getekend werden er maar één: nadat Rutherford zijn bedenkingen kreeg over het voortzetten van Genesis besloten hij en Banks uiteindelijk de stekker eruit te trekken. Genesis was (voorlopig) voorbij. Jammer, want wij hadden graag gehoord hoe een opvolger van Calling All Stations geklonken zou hebben…!