Voor fans van Deep Purple vond dertig jaar geleden het moment plaats waar ze zo lang naar uit hadden gekeken: er lag nieuw werk van de klassieke ‘Mark II’-bezetting in de winkel! Geen wonder dus dat de periode rond de release van Perfect Strangers en de daaropvolgende tour een van de meest succesvolle in de geschiedenis van de band was.

Het was in 1984 nog geen tien jaar geleden dat er voor het laatst een album onder de naam Deep Purple was verschenen. Maar tegen de tijd dat die plaat (Come Taste The Band) gemaakt werd, bleef er nog maar weinig over van de beroemde Mark II-lineup, bestaande uit zanger Ian Gillan, gitarist Ritchie Blackmore, bassist Roger Glover, toetsenist Jon Lord en drummer Ian Paice. Na het uitbrengen van het niet heel spetterende Who Do We Think We Are (1973) waren Gillan en Glover vertrokken. Niet lang daarna zei ook Blackmore de band vaarwel om verder te gaan met zijn eigen Rainbow.

In 1976 besloten de enige overgebleven oorspronkelijke leden Paice en Lord zelfs om Deep Purple helemaal op te heffen. Deels had dat te maken met Blackmore’s opvolger, wijlen Tommy Bolin, die volgens Jon Lord toch niet de juiste keuze bleek. Zo zei de toetsenist later in een interview: “Hij begreep niet wat het publiek wilde en nodig had, en we kwamen met een album dat niets met Deep Purple te maken had.”

In de volgende jaren bleven Lord en Paice net als de rest van ‘Mark II’ wel in de spotlights. Beiden zaten eind jaren zeventig en begin jaren tachtig bijvoorbeeld in de nieuwe formatie van ex-Deep Purple-zanger David Coverdale: Whitesnake. Ian Gillan had ondertussen zijn eigen band opgericht, Roger Glover was al solo gegaan en produceerde het een en ander voor bands als Judas Priest, en Ritchie Blackmore hield zich zoals gezegd bezig met zijn band Rainbow (waarbij op een gegeven moment ook Glover speelde).

Opmerkelijk was ook de korte periode waarin Gillan de frontman van een andere grote hardrock/metalband werd: Black Sabbath. De plaat die daaruit voortkwam, Born Again (1983), bevestigde dat de zanger toch heel wat beter op zijn plek was bij de groep die mede dankzij zijn ongekende hoge uithalen groot was geworden: Deep Purple. Het was dan ook Gillan die zijn oude rivaal Ritchie Blackmore benaderde voor een nieuwe samenwerking. “Ik had het erg naar mijn zin bij Rainbow en het ging heel goed”, zei de gitarist later in een interview met Guitar.com. “Maar toen kwam Ian Gillan langs om te vragen of we weer samen konden komen. Er werd ook gesproken over heel veel geld.”

De langverwachte Mark II-reünie was in 1984 eindelijk een feit, met als eerste wapenfeit het vrij sterke album Perfect Strangers. Alle vertrouwde Deep Purple-ingrediënten waren aanwezig, van Blackmore’s messcherpe gitaarspel tot Lords scheurende orgelwerk, maar de plaat klonk ook wat moderner dan voorheen. De openingstrack Knocking At Your Back Door en de ijzersterke titelsong verschenen op single en werden livefavorieten, en ook de meeste andere nummers op de lp vielen niet tegen. Zo mag je Wasted Sunsets – luister naar die schitterende gitaarsolo’s! – zeker tot de beste ballads van de band rekenen.

Perfect Strangers markeerde een ware comeback van een van de belangrijkste hardrockbands, met nummer vijf als hoogste positie in de Britse albumlijst. Ook de tour die de band in 1984 en het volgende jaar door onder meer Amerika en Japan leidde, bleek een enorm succes. Alleen de reeks concerten die Bruce Springsteen deed ter promotie van Born In The U.S.A. bracht in 1985 meer geld in het laatje!

Ritchie Blackmore keek later niet met heel veel genoegen terug op de Mark II-jaren na Perfect Strangers, maar over de plaat zelf bleek hij nog zeer te spreken. Zo zei hij tegen Guitar.com: “Ik vind Perfect Strangers een goede plaat. Ik voelde me weer comfortabel bij de band en dacht dat het een goed idee was om er nog een te maken. Dat was een vergissing, want ik speelde er verschrikkelijk op.”

Na Perfect Strangers bracht ‘Mark II’ nog twee platen uit (The House Of Blue Light en live-dubbelaar Nobody’s Perfect), maar beide wisten het vuur niet nogmaals aan te wakkeren. Dat gold ook voor Slaves And Masters (1990), waarvoor Rainbow-vocalist Joe Lynn Turner de plek van Gillan innam. Pas na het allerlaatste album in de klassieke formatie, The Battle Rages On… (1993), en het definitieve vertrek van Blackmore verscheen er in 1996 eindelijk weer eens echt opwindend werk van Deep Purple: Purpendicular. Maar hoe virtuoos vervangend gitarist Steve Morse ook is, zonder het kenmerkende spel van Blackmore was het nooit meer hetzelfde.