Dat Neil Young zich ook prima weet te redden zonder zijn begeleiders van Crazy Horse, heeft de Canadese held al vaak in zijn carrière bewezen. Maar Crazy Horse zonder Neil Young? Waarom zouden we daar naar moeten luisteren? Het eerste, inmiddels 45 jaar oude ‘eigen’ album van de band geeft genoeg redenen.

Na zijn avontuur bij de kort bestaande band Buffalo Springfield start Neil Young in 1968 een solocarrière. Zijn debuutalbum valt – zeker in commercieel opzicht – tegen na de briljante songs die hij bij zijn doorbraakband op plaat had gezet. Maar op het moment dat die simpelweg Neil Young getitelde lp verschijnt, is de zanger en gitarist al bezig met de opvolger. Ditmaal krijgt hij ondersteuning van drie muzikanten die hem later in zijn carrière nog vaak ondersteunen: gitarist Danny Whitten, drummer Ralph Molina en bassist Billy Talbot.

Crazy Horse, zoals de begeleidingsband heet, ontstaat nadat Young door Molina uitgenodigd wordt om in Laurel Canyon te komen jammen met diens band The Rockets, een zestal waarvan ook Whitten en Talbot deel uitmaken. Later geeft Young toe dat hij de drie muzikanten min of meer gestolen heeft van The Rockets, maar zijn fans zullen hem daar in ieder geval alleen maar dankbaar voor zijn. Met Crazy Horse maakt Young namelijk enkele van zijn beste platen en geeft hij misschien wel zijn meest opwindende optredens. In 1969 verschijnt Everybody Knows This Is Nowhere, de eerste lp onder de naam Neil Young & Crazy Horse.

Young sluit zich in hetzelfde jaar aan bij het populaire trio Crosby, Stills & Nash en bereikt daarmee een veel groter publiek. Ook zijn soloplaten krijgen meer aandacht: After The Gold Rush, waar de mannen van Crazy Horse weer aan meewerken, bereikt de Amerikaanse top tien. In 1970 toert de singer-songwriter afwisselend solo, met CSNY en met Crazy Horse, maar vanwege het overmatige drugsgebruik en de ondermaatse prestaties van Danny Whitten wordt de laatstgenoemde band door de eigenzinnige Young gedumpt.

Whitten, Molina en Talbot besluiten ondertussen hun eigen album op te nemen, aangevuld met de jonge gitarist Nils Lofgren (die ook al meewerkte aan After The Gold Rush en later Bruce Springsteens E Street Band komt versterken) en toetsenist Jack Nitzsche, die al met Young werkte in de Buffalo Springfield-tijd. De bandleden schrijven voornamelijk hun eigen songs. Zo komt Lofgren met Beggars Day, dat later door de Schotse rockers van Nazareth in een ruige hardrockversie wordt gegoten, en levert Nitzsche het mede door hem geschreven Gone Dead Train aan – dat eerder al door Randy Newman opgenomen werd voor de film Performance.

Het bekendste nummer van het eerste Crazy Horse-album is echter de hartverscheurende ballad I Don’t Want To Talk About It, geschreven door Danny Whitten en met schitterend slidegitaarwerk van Ry Cooder. Er zijn later veel bekendere versies opgenomen. Whittens compositie blijkt in de jaren daarna een populair lied om te coveren, met als bekendste uitvoering die van Rod Stewart op zijn album Atlantic Crossing (1975). Ook artiesten als Rita Coolidge, Everything But The Girl en zelfs boyband Blue wagen zich aan covers, met wisselend succes.

Overigens is Neil Young niet helemaal afwezig op het album van zijn begeleidingsband. Twee nummers werden (mede) door hem geschreven: Downtown, dat later nogmaals in een live-versie op Youngs lp Tonight’s The Night opduikt, en Dance Dance Dance. Van het laatstgenoemde nummer brengt Neil zelf lange tijd geen eigen studio-opname uit, tot in 2009 de boxset Archives Vol. 1: 1963-1972 verschijnt – inclusief een duetversie met Graham Nash.

Het uitstekende album Crazy Horse verschijnt in februari 1971 via het label Reprise, maar met weinig succes. De plaat blijkt helaas ook de laatste van de band met Danny Whitten, die in november 1972 overlijdt na een overdosis van alcohol in combinatie met valium. Neil Young is er kapot van en maakt het zeer sombere album Tonight’s The Night, dat in 1975 uitkomt. In dat jaar wordt Crazy Horse toch weer nieuw leven ingeblazen, met gitarist Frank ‘Poncho’ Sampedro als Whittens vervanger.

Young schakelt in de volgende decennia nog vaak de hulp in van de band, onder meer voor de klassiekers Rust Never Sleeps (1979) en Ragged Glory (1990). En ook in de nieuwe line-up met Sampedro brengt Crazy Horse nog enkele eigen albums uit, zonder de man die de groep bekend maakte. Hoewel… wie horen we daar de krijsende gitaarsolo’s spelen in meerdere nummers op de aardige lp Crazy Moon uit 1978? Juist: Neil Young!