Vier dagen na de release van Bob Dylans nieuwste single Like A Rolling Stone begon het Newport Folk Festival. Ook Dylan, de grote belofte van de folkscene, mocht daar zijn opwachting maken, inmiddels al voor de derde keer. Het zou ook de laatste keer zijn dat de jonge liedjessmid werd uitgenodigd in Newport. Zijn optreden tijdens het driedaagse festival liep uit op een grote teleurstelling.

Zaterdagmiddag 24 juli 1965 trad Dylan al kort op voor het publiek en speelde zijn nummer All I Really Wanna Do. Een dag later wisten de toeschouwers inderdaad wat hij wilde doen, maar er was niets wat leek op een totaal nieuwe presentatie van de zanger.

Diezelfde zaterdagmiddag speelde ook Paul Butterfield’s Blues Band op het folkfestival. Elektrisch versterkte muziek was niet ongebruikelijk bij dit muziekgenre. Immers, ook Johnny Cash maakte gebruik van ingeplugde muziekinstrumenten. In de Blues Band speelde ook Dylans kameraad Mike Bloomfield, die een paar dagen eerder met Dylan het nummer Like A Rolling Stone opnam. Voor Dylan een goede reden om Bloomfield te vragen om hem te begeleiden bij zijn eigen set, een dag later.

Dat wilde de gitarist wel en hij stelde eigenhandig een band samen. Veel tijd om samen te repeteren hadden of namen de mannen niet. Desalniettemin stond de band die zondagmiddag goedgemutst op het podium, waar ze werden aangekondigd door de vader van de folkmuziek Pete Seeger. Na de introductie zette Dylan zijn Maggie’s Farm in. Het publiek kon het nauwelijks verstaan, de muziek was niet goed afgesteld.

Het publiek reageerde furieus, want een elektrische Dylan was niet waarom hij werd uitgenodigd op dit festival. Boegeroep viel hem ten deel. Ook Seeger was niet te spreken. Sterker nog, Seeger vloekte erop los, want dít was niet de bedoeling. Woest liep hij naar het mengpaneel om zich te bemoeien met het geluid – maar helaas, het paneel werd bemand door onder anderen manager Albert Grossman en Bobby Neuwirth. Het verhaal gaat dat Seeger vervolgens een bijl pakte en de stroom letterlijk wilde afsnijden om dit elektrische geweld te doen ophouden. Slechts ternauwernood kon dit worden voorkomen.

Dylan en zijn ad hoc begeleidingsband speelden ondertussen door en maakten de set af met het spelen van Like A Rolling Stone en It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry. Na afloop verlieten de mannen het podium, waarna Dylan beduusd op een trapje bleef zitten en staarde naar zijn laarzen.

Nadat de zanger weer bij zijn positieven was en nadat hij door het publiek was gevraagd om nog één nummer te doen, stapte hij weer het podium op. Dit keer met alleen een akoestische gitaar, die hij leende (of kreeg) van Johnny Cash. Hij speelde niet één maar twee nummers voor het aanwezige publiek: It’s All Over Now, Baby Blue en Mr. Tambourine Man.

Het was het definitieve afscheid van de folkmuziek door Dylan.