In oktober 1971 staat het nummer Maggie May van Rod Stewart in zowel de Verenigde Staten als in het Verenigd Koninkrijk op nummer 1. Het liedje was eigenlijk bedoeld als b-kant voor Reason To Believe, maar betekende de definitieve wereldwijde doorbraak voor Stewart.

De basis voor Maggie May wordt gelegd in 1961, wanneer een 16-jarige Rod met zijn vrienden door een rioolbuis bij het Beaulieu Jazz Festival naar binnen sluipt. Op het festival ontmoet hij een vrouw. In zijn memoires zegt Rod daarover: “Ik verloor daar mijn maagdelijkheid aan een oudere vrouw, die nogal overtuigend was in wat ze met me van plan was. Hoeveel ouder weet ik niet eens meer, maar oud genoeg om erg teleurgesteld te zijn over de korte duur van het hele gebeuren.”

Veel later zingt Rod Stewart in het bandje Steamhammer. Gitarist Martin Quittenton speelt een paar akkoorden waar Rod een melodie op zingt met flarden tekst van een oude Liverpool-folksong over een prostituee, Maggie Mae. Plotseling moet Rod weer denken aan zijn avontuur met de oudere vrouw tien jaar daarvoor en krijgt hij een idee voor een verhaallijn: hij schrijft een tekst over de conflicterende gevoelens van een jonge jongen in een relatie met een oudere vrouw.

Maggie May is de eerste succesvolle rockplaat met de mandoline als belangrijkste instrument, tot dan toe alleen gebruikt in folksongs. Maggie May staat als nummer 131 in de Rolling Stone top 500 van Greatest Songs All Time.