Toen Mike Oldfield zich na Incantations (1978) meer en meer ging toeleggen op commerciële popliedjes, had niemand verwacht dat hij ooit zijn oude niveau weer zou bereiken. Met Amarok (1990) gebeurde dat toch. Amarok is echter niet alleen een plaat vol muzikaal vakmanschap, maar ook vol woede en wraakgevoelens.

Een geïnspireerde Oldfield dus, maar commercieel handig is het allerminst: een album met slechts één track van ruim 60 minuten, die ook nog eens bijna helemaal instrumentaal is. De fans waren er echter dolgelukkig mee, want dit was na jaren eindelijk weer de Mike Oldfield die zich in de jaren ‘70 met zijn eerste vier platen onsterfelijk had gemaakt.

Na al een tijdje te hebben nagedacht over een vervolg op het legendarische Tubular Bells, besloot Oldfield dat het veiliger was om eerst een sequel voor een minder bekende plaat te maken. De basis van Amarok ligt dan ook bij het album Ommadawn uit 1975. En hoewel Amarok al snel een eigen leven ging leiden, zijn er met name qua sessiemuzikanten opmerkelijk veel overeenkomsten tussen beide werken: zangeres Clodagh Simonds, de uillean pipes van Paddy Maloney en Julian Bahula met zijn Afrikaanse drumcombo, die in de climax van Ommadawn zo nadrukkelijk aanwezig was.

Toch zijn er ook duidelijke verschillen. Want waar albums als Hergest Ridge (1974) en Ommadawn een heldere muzikale lijn hadden, is Amarok een stuk fragmentarischer. Absurdistischer ook. Dat laatste blijkt nog eens opnieuw als we in het boekje naar de lijst met instrumenten kijken: naast het voor Oldfield gebruikelijke scala aan gitaren vinden we hier bijvoorbeeld ook een speelgoedhondje, schoenen, een tandenborstel en een ‘face slap’. Opmerkelijk zijn verder de ‘bowed guitar’ (een door Jimmy Page groot gemaakte techniek waarbij de gitaar bespeeld wordt met een strijkstok) en de ‘long thin metallic hanging tubes’ (oftewel tubular bells).

Wie wat dieper in de geschiedenis rond dit album duikt, komt er al snel achter dat Oldfield niet alleen artistieke redenen had om Amarok zo a-commercieel mogelijk te maken. De verhoudingen tussen hem en zijn label Virgin Records stonden namelijk om allerlei redenen op scherp, en hoewel hij met Heaven’s Open (1991) nog één laatste album voor het label zou maken, wordt Amarok over het algemeen gezien als zijn afscheidsplaat aldaar. Eentje vol rancune, welteverstaan. En mede daarom zit Amarok zo in elkaar dat het onmogelijk is om een bepaalde sectie te isoleren, bijvoorbeeld om een single uit te kunnen brengen.

Maar daar blijft het niet bij. Zo bevat Amarok ook verschillende ‘schrikeffecten’: rustige, stille stukjes muziek worden abrupt en soms geheel buiten de maat afgewisseld met keiharde, onprettige geluiden. Oldfield kwam er in een interview openlijk voor uit dat hij hoopte dat toenmalig Virginmanager Simon Draper het album in zijn auto zou luisteren, het volume omhoog zou draaien en zich vervolgens dood zou schrikken van dit onverwachte lawaai. De mooiste sneer zit hem echter in een morsecode die na ongeveer 48 minuten te horen is. Wanneer je deze uitschrijft, staat er “Fuck off, RB”, waarbij RB staat voor Virginbaas en –oprichter Richard Branson. Oldfield loofde destijds 1000 Britse pond uit aan de eerste persoon die de toen nog verborgen boodschap wist te vinden en ontcijferen.

Ondanks bovenstaande verhalen was Amarok zeker geen werk met alleen maar het pesten van platenbazen als doel. Integendeel: het album was er juist op gericht om Oldfield’s muzikale meesterschap na jaren eindelijk weer eens te tonen. Hij speelt bijna alles zelf, computers worden nauwelijks gebruikt en ondanks het absurdisme zit het geheel voor de geoefende luisteraar bijzonder goed in elkaar. En misschien was dat allemaal nog wel de grootste bron van frustratie voor Virgin, die eigenlijk gewoon wilde dat Oldfield pophitjes uit bleef persen.

En Tubular Bells 2? Die kwam er uiteindelijk ook, in 1992. Het werd een groot succes, maar niet voor Virgin Records, want Oldfield had als laatste trap na besloten daarmee te wachten tot hij bij een ander label zat…